Wanneer is bezorgdheid om iemand meer dan gewone bezorgdheid?
Je kent iemand goed. Je merkt dat die persoon stiller is dan anders. Hij trekt zich terug. Je partner slaapt nauwelijks nog. Je dochter zegt afspraken steeds vaker af. Je broer reageert sneller geïrriteerd. Of misschien kun je er niet precies de vinger op leggen, maar voel je gewoon: er klopt iets niet.
Wanneer moet je je daar echt zorgen over maken? Dat is een moeilijke vraag. Want psychische problemen hebben niet altijd duidelijke signalen. En als naaste ben je vaak degene die als eerste merkt dat er iets veranderd is.
Je hoeft niet meteen te weten wat er aan de hand is
Een moeilijke periode betekent niet automatisch dat iemand psychische problemen heeft. Iedereen kan zich een tijd somber, angstig, prikkelbaar of uitgeput voelen.
Het wordt anders wanneer veranderingen blijven aanhouden, erger worden of het dagelijks leven beginnen te beïnvloeden. Denk bijvoorbeeld aan iemand die steeds minder contact zoekt, nauwelijks nog plezier beleeft aan dingen die vroeger belangrijk waren, slecht slaapt, zich voortdurend zorgen maakt of niet meer goed functioneert op het werk of thuis. Bij stress geldt bijvoorbeeld dat een combinatie van meerdere signalen, zeker wanneer ze intens zijn en lang aanhouden, erop kan wijzen dat iemand hulp kan gebruiken.
Ook opvallende veranderingen in denken of gedrag kunnen een signaal zijn. Iemand kan bijvoorbeeld steeds achterdochtiger worden, verward overkomen of zich anders gaan gedragen dan je van die persoon gewend bent. Bij een psychose kunnen zulke veranderingen geleidelijk ontstaan. Belangrijk is wel: één signaal op zichzelf betekent niet dat iemand een psychose of een andere psychische aandoening heeft.
Je hoeft als naaste dus geen diagnose te stellen. Je mag gewoon vaststellen dat je je zorgen maakt.
Vertrouw op wat je opmerkt
Naasten kennen iemand vaak beter dan wie ook. Je merkt kleine veranderingen die anderen misschien niet zien.
Misschien denk je:
“Hij is gewoon moe.”
“Ze heeft het druk op haar werk.”
“Het zal wel een fase zijn.”
En misschien is dat inderdaad zo.
Maar als dat onderbuikgevoel blijft terugkomen, kan het helpen om er niet alleen mee te blijven zitten.
Vraag jezelf eens af:
- Is het gedrag van de persoon duidelijk veranderd?
- Houdt die verandering al een tijdje aan?
- Heeft de persoon minder contact met anderen?
- Verandert zijn of haar slaap, eetlust of dagelijkse routine sterk?
- Lukt werken, studeren of het huishouden minder goed?
- Lijkt iemand veel angstiger, somberder, bozer of achterdochtiger dan vroeger?
- Heeft de persoon minder plezier of interesse in dingen die vroeger belangrijk waren?
- Heb jij zelf het gevoel dat je voortdurend moet opletten of bijspringen?
Geen van deze signalen betekent op zichzelf dat iemand een psychische aandoening heeft. Maar samen kunnen ze wel een reden zijn om het gesprek aan te gaan.
Hoe begin je zo'n gesprek?
Dat hoeft helemaal niet ingewikkeld te zijn.
Je hoeft geen deskundige te zijn. Je hoeft ook niet met een oplossing te komen.
Begin gewoon met wat je ziet.
“Ik merk dat je de laatste tijd veel minder buitenkomt. Hoe gaat het eigenlijk met je?”
Of:
“Ik heb het gevoel dat je de laatste tijd niet goed in je vel zit. Klopt dat?”
En soms is het belangrijkste wat je kunt doen: luisteren.
Probeer niet onmiddellijk te oordelen of oplossingen aan te dragen. Wanneer iemand vertelt dat het moeilijk gaat, kan het verleidelijk zijn om te zeggen dat die persoon wat meer moet ontspannen, positiever moet denken of er eens tussenuit moet. Maar zulke adviezen helpen niet altijd. Luisteren zonder te oordelen en iemand aanmoedigen om hulp te zoeken kan veel waardevoller zijn.
Je kunt helpen, maar je hoeft het niet alleen te dragen
Als naaste wil je misschien alles oplossen. Zeker wanneer iemand van wie je houdt het moeilijk heeft.
Maar jij bent in de eerste plaats partner, ouder, kind, broer, zus, vriend(in) of andere naaste. Je hoeft geen hulpverlener te worden.
Dat onderscheid is belangrijk.
Je kunt er zijn. Je kunt luisteren. Je kunt samen zoeken naar professionele hulp. Je kunt meegaan naar een afspraak als dat gewenst is. En je kunt aangeven wanneer je je zorgen maakt.
Maar je mag ook grenzen stellen.
Want de psychische problemen van iemand anders kunnen ook een grote impact hebben op jouw eigen leven. Similes benadrukt daarom dat familie en andere naasten niet alleen steunfiguren zijn, maar zelf ook nood kunnen hebben aan ondersteuning en herstel.
Ook jij mag zeggen: “Dit wordt mij te veel.”
Wanneer moet je professionele hulp inschakelen?
Als je merkt dat iemand langdurig vastloopt of dat de situatie steeds moeilijker wordt, kan het verstandig zijn om professionele hulp aan te moedigen. Dat kan bijvoorbeeld via de huisarts of een andere zorgverlener.
Bij ernstige of acute situaties is sneller handelen belangrijk.
Als iemand bijvoorbeeld vertelt dat hij of zij een einde aan het leven wil maken, neem dat dan altijd ernstig. Praat erover en zoek professionele hulp.
En ook dan hoef je het niet alleen te doen.
Misschien is dit wel het belangrijkste
Je hoeft niet zeker te weten wat er met iemand aan de hand is om te mogen zeggen dat je je zorgen maakt.
Je hoeft geen diagnose te kunnen stellen.
Je hoeft geen psycholoog te zijn.
Je hoeft zelfs niet te weten wat de volgende stap precies is.
Soms begint het gewoon met één zin:
“Ik merk dat het niet goed met je gaat. Ik maak me zorgen om je. Zullen we er samen over praten?”
Dat kan een klein moment lijken. Maar voor iemand die het moeilijk heeft, kan het een belangrijke eerste stap zijn.
En als naaste hoef je er evenmin alleen voor te staan. Similes ondersteunt familie en andere naasten van mensen met psychische problemen met informatie, lotgenotencontact, vorming en een luisterend oor.
Maak je je zorgen om iemand in je omgeving? Je hoeft niet te wachten tot je precies weet wat er aan de hand is. Je mag nu al hulp en ondersteuning zoeken.